Gepubliceerd op: 17 juni 2026
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 3 juni 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de afhandeling van verzoeken tot aanvullende schadevergoeding in het kader van de toeslagenaffaire. In deze uitspraak (ECLI:NL:RVS:2026:3192) wordt een opmerkelijke koerswijziging zichtbaar in de manier waarop wordt omgegaan met het niet tijdig nemen van besluiten door de Dienst Toeslagen.
Kern van de uitspraak
In deze zaak stond centraal dat een gedupeerde ouder beroep had ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op haar verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijke schade. De Raad van State oordeelt dat in dergelijke gevallen:
- de gebruikelijke wettelijke beslistermijn van toepassing blijft;
- de Dienst Toeslagen binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit moet nemen.
Opvallend is echter dat de Afdeling daarnaast oordeelt dat de dwangsom bij niet tijdig beslissen voorlopig op nihil wordt gesteld.
Waarom geen dwangsom meer?
De Raad van State motiveert deze ingrijpende beslissing door te wijzen op de feitelijke situatie binnen de hersteloperatie toeslagen. Uit door de Dienst Toeslagen overgelegde cijfers blijkt dat:
- de besluitvorming in deze specifieke categorie zaken structureel is vastgelopen;
- het opleggen van dwangsommen geen effectief prikkelmiddel meer vormt om tijdig te beslissen;
- zonder ingrijpen de afhandeling van deze verzoeken mogelijk nog circa 18 jaar in beslag zal nemen.
De Afdeling concludeert dat het instrument van de dwangsom in deze context zijn doel voorbijschiet, en daarom tijdelijk buiten toepassing moet blijven.
Juridische duiding
Deze uitspraak betekent een duidelijke nuancering van het systeem van artikel 4:17 Awb (dwangsom bij niet tijdig beslissen). Waar dit instrument traditioneel dient als rechtsbescherming tegen trage besluitvorming, wordt hier erkend dat het in uitzonderlijke omstandigheden contraproductief kan zijn.
Voor de rechtspraktijk zijn met name de volgende punten van belang:
- Rechtsbescherming verschuift: burgers behouden wel de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen niet tijdig beslissen, maar verliezen in deze categorie zaken het financiële prikkelmiddel;
- Bestuursorganen krijgen lucht, maar ook een duidelijke opdracht: binnen een korte termijn alsnog besluiten nemen;
- Precedentwerking: hoewel de uitspraak specifiek ziet op de toeslagenaffaire, kan deze redenering mogelijk ook in andere systemisch vastgelopen dossiers relevant worden.
Praktische gevolgen
Voor gedupeerde ouders en hun rechtsbijstandverleners betekent dit dat het instellen van beroep tegen niet tijdig beslissen nog steeds zinvol kan zijn, maar niet langer leidt tot een automatische dwangsom. De focus verschuift daarmee naar het afdwingen van een concrete beslissing binnen de door de rechter gestelde termijn.
Voor bestuursorganen onderstreept de uitspraak dat structurele uitvoeringsproblemen niet langer kunnen worden “afgekocht” met dwangsommen, maar dat daadwerkelijke versnelling van besluitvorming noodzakelijk is.
Conclusie
Met deze uitspraak erkent de Raad van State expliciet dat het bestuursrechtelijke systeem van prikkels zijn grenzen kent. In uitzonderlijke situaties, zoals de hersteloperatie toeslagen, kan het nodig zijn om af te wijken van vaste uitgangspunten om tot een meer effectieve rechtsbescherming te komen.
Bron:
Raad van State 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:319
